NOOTgeval 1
Gewijzigde incidentlocatie!

Op de MKA wordt een incidentlocatie op ‘Kerkplein 34’ aangemaakt. Via directe inzet wordt een ambulance gealarmeerd. De ambulance rijdt naar de in het MDT opgegeven locatie. De urgentie wordt een A1 i.v.m. weggevallen cortonen bij een bevalling met niet-vorderende uitdrijving (NVU). Tijdens de rit wordt vanuit de MKA de incidentlocatie in GMS en MDT aangepast in ‘Kerklaan 34’. In de hectiek wordt dit door betrokkenen niet gedeeld of gezien. De ambulance komt aan op ‘Kerkplein 34’, echter treft hier niet het incident aan. Pas na spraakcontact met MKA wordt het duidelijk dat de locatie is aangepast. De vertraging is 9 minuten.


Zónder medische begeleiding vanuit het ene ziekenhuis onderweg naar een ander ziekenhuis met een AAAA patiënt. Tijdens de rit ontstaan ‘hypovolemische shock’, ‘bewusteloosheid’ en ‘dreigende reanimatie’. Dit was kort samengevat de vorige versie van NOOTGEVAL. Zo’n 60 collega’s uit het hele land reageerden op de casus.

Post-reanimatie, slechte conditie post-operatief, toenemende hersendruk, AAAA, en respiratoir insufficiënt. Allemaal patiëntsituaties waarin collega’s een interklinisch transport deden zonder medische begeleiding. Ruim 60% van de respondenten gaf aan dit meegemaakt te hebben. Oorzaken? ‘Géén arts voorhanden’, ‘weigering vanuit ziekenhuis’, ‘eigen expertise voldoende’, ‘had al NTBR beleid’ en ‘liever collega’s van een tweede auto dan begeleiding uit ziekenhuis’.

Fiftyfifty is de verhouding in de vraagbeantwoording of men denkt een soortgelijke situatie in de toekomst (nog een keer) te zullen meemaken. De nee-stemmers willen dit voorkomen door richtlijnen (LPA), stevig bewaken van grenzen en ‘realiseer je welke verantwoordelijkheid je op je neemt’. De andere groep is van mening dat je dit nooit helemaal kunt voorkomen. Uiteindelijk gaat het ‘om de juiste patiënt op de juiste plaats met juiste expertise’, ‘daarbij moet je weleens concessies doen in patiëntbelang met de risico’s van dien’.

Op de vraag over ‘helpen voorkomen van deze situatie’ is het overgrote deel (75%) het met elkaar eens. Zeker kunnen we dit helpen te voorkomen!

Meest aangegeven werd: ‘in gesprek gaan met insturende ziekenhuis’. Andere mogelijkheden waren: ‘overleg met MMA’, ‘VIM maken’ en ‘insturend ziekenhuis eenvoudigweg wijzen op onze geldende richtlijnen’. Met richtlijn 2.7 ‘Interklinische overplaatsing’ vanuit het (V)LPA hebben we als beroepsgroep goed gereedschap voor deze situaties. Zorg dat jezelf ook op de hoogte hiervan bent!

Er is géén enkele reden om ‘zomaar’ een patiënt te moeten accepteren. Vaak beter dan een ziekenhuis kunnen wij ons voorstellen wat een rit met een (instabiele) patiënt doet en wat er onderweg zou kunnen gebeuren, niet alleen qua medische problemen, maar ook qua logistiek. Breng jouw expertise in!

Collega’s die aangaven een situatie als in de casus niet te kunnen helpen voorkomen noemden o.a. als redenen: ‘ik zou niet weten hoe’, ‘als een AAAA klapt is het sowieso klaar’. Laatste is helder. Helaas vaak wel. Zie ook de verantwoording bij eerder genoemde richtlijn uit LPA. Neem en lees!

En kom je zelf onverhoopt in een soortgelijke situatie, denk dan aan de adviezen van je collega’s uit het land: ‘overweeg rendez-vous met MMT’, ‘vraag op indicatie bloedproducten mee’, ‘betreft het een AAAA? Rijden!’, ‘overweeg om het niet te accepteren zonder medische begeleiding en maak duidelijk dat de verwijzer verantwoordelijk is voor de keuze van transport’, ‘voorkom tijdsverlies door discussie’, ‘Heb je tijd? Vraag de MICU.’ en vooral ‘keep cool!’.